Ida Gerhardt
Biografie:
    Ida Gardina Margaretha Gerhardt (11 mei 1905 - 15 augustus 1997)
Op 11 mei 1905 wordt  in Gorichem Ida Gerhardt geboren. Vanuit deze plaats verhuist het gezin Gerhardt naar Rotterdam, waar haar vader directeur van een ambachtsschool werd en waar Ida naar het Erasmusgymnasium gaat. Daar wordt zij in de klassieke talen onderwezen door de dichter J.H. Leopold, die sindsdien haar grote voorbeeld en leermeester is.

Gerhardt gaat zelf klassieke talen studeren, in Leiden en Utrecht, en wordt lerares klassieke talen in achtereenvolgens Delft, Leiden, Groningen en  Kampen.

In 1942 promoveert zij op een gedeeltelijke vertaling van Lucretius' De rerum natura. Later publiceert zij een vertaling van de Georgica van Vergilius, en samen met haar levensgezellin Marie van der Zeyde de psalmen, waarvoor ze speciaal Hebreeuws leerde.
In 1968 krijgt ze de Martinus Nijhoff Prijs voor haar vertalingen. In het voorjaar van 1967 waren beide naar Eefde bij Zutphen verhuisd.

Als dichter:

Zij debuteert  in 1940 met de bundel Kosmos.
Bekendheid verwerft ze echter pas met haar tweede bundel
Het Veerhuis, die haar de Van der Hoogtprijs oplevert.
Ze publiceert in totaal zestien dichtbundels, waarvan
De Adelaarsvarens in 1988 de laatste is.
Na tal van andere literaire prijzen krijgt ze in 1980 de
P.C. Hooftprijs voor haar gehele oeuvre.

Het werk van Gerhardt wordt gekenmerkt door een klassieke, strenge toon. In haar eerste dichtbundels speelt het Hollandse landschap een grote rol. In haar latere werk voegt zij daar als thema's aan toe angst en verbondenheid, religie, en het dichten zelf.
Tot haar beroemdste gedichten behoren 'Onder de brandaris' en 'Het carillon', dat met de veelvuldig geciteerde regels eindigt:
'Nooit heb ik wat ons werd ontnomen/ zo bitter, bitter liefgehad.

Tot slot

Een  deel van haar leven heeft Ida Gerhardt in de omgeving van de stad Zutphen gewoond en gewerkt.  Sinds augustus 2002 is de gemeente Zutphen eigenaar van de literaire nalatenschap van Ida Gerhardt.  Er wordt gewerkt aan het toegankelijk maken van deze collectie, die een rijkdom aan literaire en wetenschappelijke informatie bevat.
================================================
Enkele gedichten van
Ida Gerhardt
HET CARILLON

Ik zag de mensen in de straten,
hun armoe en hun grauw gezicht. - toen streek er over de gelaten een luisteren, een vleug van licht.

Want boven in de klokketoren
na 't donker-bronzen urenslaan
ving, over heel de stad te horen,
de beiaardier te spelen aan.

Valerius: -een statig zingen
waarin de zware klok bewoog, doorstrooid van lichter sprankelingen
Wij slaan het oog tot U omhoog.'

En één tussen de naamloos velen, gedrongen aan de huizenkant
stond ik te luist'ren naar dit spelen
dat zong van mijn geschonden land.

Dit sprakeloze samenkomen
en Hollands licht over de stad -
Nooit heb ik wat ons werd ontnomen zo bitter, bitter liefgehad.
 
(oorlogsjaar 1941)     

Onvervreembaar

Dit wordt ons niet ontnomen: lezen
en ademloos het blad omslaan,
ver van de dagelijksheid vandaan.
Die lezen mogen eenzaam wezen.

Zij waren het van kind af aan.

Hen wenkt een wereld waar de groten,
de tijdelozen, voortbestaan.
Tot wie wij kleinen mogen gaan;
de enigen die ons nooit verstoten.

uit "Niet nog een boek" van Ida Gerhardt
============================
============================
KWATRIJN I

's Nachts wakker in het uitgestorven huis
hoorde ik het bezig water van de sluis.
Toen riep men mij met name - twee, drie maal.
Een slaan van luiken en een groot geruis.

(uit 'Kwatrijnen in opdracht'1948)
============================
ZONDAGMORGEN

Het licht begint te wandelen door het huis
en raakt de dingen aan. Wij eten
ons vroege brood gedoopt in zon.
Je hebt het witte kleed gespreid
en grassen in een glas gezet.
Dit is de dag waarop de arbeid rust.
De handpalm is geopend naar het licht.

(uit 'De hovenier' 1961)

HET HEMELS WELKOM

Met stralend weer gegaan,
met regen thuis gekomen,
om straks met zware zomen
nat op de mat te staan.

Met hoofdschuddend vermaan
wordt men nog aangenomen.
Zo stralend uitgegaan,
zo druipnat thuis gekomen.

Nu 't welhaast is gedaan
heb ik zo schone dromen:
Ik klop: ik hoor met schromen
het zware slot omgaan.
'Met stralend weer gekomen!'

(uit 'Het sterreschip' 1979)

============================
Haar bekendste 'overlijdensgedicht' is wel:

De gestorvene

Zeven maal om de aarde gaan,
als het zou moeten op handen en voeten;
zevenmaal om die ene te groeten
die daar lachend te wachten zou staan.
Zeven maal om de aarde gaan

Zeven maal over de zeeën te gaan,
schraal in de kleren, wat zou het mij deren,
kon uit de dood ik die ene doen keren.
Zeven maal over de zeeën gaan -
zeven maal om met z'n tweeën te staan.

Ida Gerhardt