Het bankje.
Er stond daar een oude eik..
De boomschors was verweerd
De takken hingen zwaar
En streelden het puin, half weggeteerd,
Op het ritme van de wind.
Op het bankje zat een oude man
Zijn krant te lezen.
Zijn gezicht leek even verweerd
Als de boomschors
Maar hij scheen verweven in één beeld :
Het bankje onder de eik
En daarop de oude man
Elke dag ben ik daar voorbijgegaan
Ik wist dat hij er was,
Maar hij bleef zwijgen
Wat kon er hem toe neigen
Te gebaren dat hij las?
Hoeveel tijd ging zo voorbij?
Heel lang zo leek het mij
's Zomers zag je hem van ver
Ik herkende zijn zomerhoed
Even verkleurd en vaal
Als zijn kleurloze broek
En zijn hemd van neteldoek
In de winter was het anders
Hij droeg dan een gebreide muts
Tot ver over zijn oren,
En alles leek een donkergrijze massa
De verweerde man in de verweerde boom
Vaak zag ik slechts
Het wuiven van zijn krant
Alsof hij wenkte
Kom maar langs mijn kant
En ik ging zijn kant uit
En ik groette hem, heel luid,
In de hoop eenmaal zijn blik te zien,
Maar alleen de krant keek terug,
Ik zag enkel gerimpelde handen,
Getaand door alle weer en wind.
Soms keek ik stiekem om
Ik zag dan langs de zijkant
Een sneeuwen haarlok
Op een dag zag ik
Zijn blindenstok.
Ik weet nog hoe ik schrok,
En nam me voor ook aan te schuiven
Maar toen ik 's anderendaags
Op pad ging om te groeten
Zag ik zelfs de krant niet wuiven..
Ik mis die oude man heel erg
Hoewel zijn naam mij werd verzwegen
Nu staat nog altijd in de regen
Het verweerde bankje
Onder de verweerde eik.
Adj. 2004