gedicht van Hans van Druten
Waar je lag


de plek waar je lag
toen je opstond
lucht jouw vacuüm
kolkend vulde

de trap w'raf je daald
achter jouw sloot
met werv'lingen
klein bliksemding'n

na woorden die je sprak
stiltes overweldigend
oorverdovend

kussen die wij deelden
kalkmurend schraapten
vocht dat wij zogen

sterren in onz' ogen
jouw vertrek ons liet
verslagen stoned

vooral
liefddronken