gedicht van Hans van Druten
Tegenlicht


haar warme handen
geslagen om zijn hals
sterren in haar ogen landen
tot alverzengend' vlam

half ontwaakt voelt zich g'raakt
wil haar huid voor hem stropen
om hem heen slaan
in haar hele rondte proppen

in klepelen, fijn lepelen
stijgen hoog vanaf de vacht
fier en strak, zijn adem smorend
twee gebalden, stillen zijn smart

glimmers vlecht de zon
in zijn doorploegde hart
strooit roze munten
uit tegenlicht