Parel
de telefoon nog stuipend
onder verre lippen
lichtloos staan 'r ogen uitgepeld
onbeweeglijk de wezenstrekken
menige parel rust diep
in mijn gemoed
uit haar oester gekelkt,
smetteloos rein
'k zie haar gebogen, geknield,
het geurend dier
tussen de lederzachte knieën
ze giet kleurige woorden
springende klanken in de stille lucht
waarlangs alleen d' wind nog gaat
als avond zich in nevels vouwt
omlaag gedwereld
langs m'n betraand gezicht