gedicht van Hans van Druten
Parel


de telefoon nog stuipend
onder verre lippen
lichtloos staan 'r ogen uitgepeld
onbeweeglijk de wezenstrekken

menige parel rust diep
in mijn gemoed
uit haar oester gekelkt,
smetteloos rein

'k zie haar gebogen, geknield,
het geurend dier
tussen de lederzachte knieën

ze giet kleurige woorden
springende klanken in de stille lucht
waarlangs alleen d' wind nog gaat

als avond zich in nevels vouwt
omlaag gedwereld
langs m'n betraand gezicht