gedicht van Hans van Druten
Katmeisje


rotsen tot ravijnen ingevouwen
een katvormig stuk melancholiet

eensklaps zijn de straten
oud van kinderen

verdwaald tussen de balken
van de zonnestralen

kale bomen klauwen
naar de verdwenen zomer

de zee ligt te grommen
als een albino tijger

als op wind gewiegde vruchten
sluimerende bloemen bepareld

met fonkelende druppels
bedwelmende dauw

stille morgenstonde,
door de zon gekust

fluisterend als golfgebruis
katmeisje is weer thuis