gedicht van Hans van Druten
Als je brandt


als je brandt,
op mij strandt
golven in jouw hals
ben ik jouw zeemeeuw

krijt ik jou echt vals
ris 'k jou uit golf en
in mij krijt als wolf en
brult langs herfst in brand

los laat ik alle kleur
en kracht; ik beur je
jongen, langs alle tijd, wijd

w' elkaar, voorgoed
verblijd en, altijd,
als een paar, een stel
zonder kommer en kwel

zweven wij t'samen
dwars door element en tijd
smeden alles als cement,
hechten niets met iets

echt voor elkaar:
een mens, bevrijd