Warm
hoog geheven boven d'aarde
heul ik met vreugd en verdriet
half ontstegen, warm gevederd
hevelend naar beider vorm
wentelend langs zware zucht
wacht ik ze geduldig; in stromen
wellen ze omhoog, vullen de lucht
wemelend van ijle dromen
raakt mijn vleugel een gestalt'
reikt mijn slag de kern van last
red ik wat te redden valt
rijg mijn pennen diep en vast
neem ze in mijn vleugels mee
naar benee in duiz'lend duiken
pijn nevelt dun weg langs luiken