Eén vlam
lichaamloos zwevend
op de grens tussen stilte en ruis
duizend verlangens uit mijn ziel
hun armen strekken naar jou
lucht schijnt in één glans
waar twee tezamen kwamen
van zilverbroos wiegelend meer
't verweven gezang onzer kussen
één vlam brandt uit ons beider
de zucht van geur die beeft in j' haar
hart aan hart naar de klop die te hoor
als d' een zich in de ander verloor
hoe zoet verruist de zee haar tranen
waarlangs de zon haar hitte viert
in wassende stem van de dag
goudglans ontbloeit
en ook warm lacht