gedicht van Hans van Druten
Wierook    
   












'n ijle zonnestraal tast aarzelend
zijn sluipweg naar het bed
waar 't rood der wingerdbladeren
tot aan 't laken brandt

mijn mond bedwelmd
in 't aroom van 'r warme adem
haar stem mij verrukt
'k in haar brandende ogen verschroei

leg de brand terug in haar schoot
stuipen schokken over m'n leden
onze adem wierookt door het huis
twee duiven huiverend samen schuilen