Wierook
'n ijle zonnestraal tast aarzelend
zijn sluipweg naar het bed
waar 't rood der wingerdbladeren
tot aan 't laken brandt
mijn mond bedwelmd
in 't aroom van 'r warme adem
haar stem mij verrukt
'k in haar brandende ogen verschroei
leg de brand terug in haar schoot
stuipen schokken over m'n leden
onze adem wierookt door het huis
twee duiven huiverend samen schuilen