Nadromen
schoonheid springt
van tak tot tak
op fluister van de wet
wat eens bemind
voorgoed verklinkt
ontembare cadans
van chaotisch zwervend lied
haar oog nog smeulend beeft
nagloed van hevig feest
zon haar rouw betonen kan
in wat gebroken stralen
bont verleden licht op
achter dromende blik