Warm
tegen het bleek der peinzend grijze lucht
vullen voor en greppel tot de randen
met bros rood goud
als een dier komt duister binnen sluipen
en rekt zijn zwartfluwelen klauwen
en lengt zijn schaduw donker,
tragisch groot
de koude kamer verwarmt zij
met de gloed van 'r zomergloeiend
vogelzingend bloed
naar 't lied van 'r sappe leven