Harp
weg rollen de nevelschansen
wijl 't riet staat te grijzen
in d' ochtendnevel
haar lichaam deint
in bleke strofen
zwanger van gemoed
uit een hoog merellied
vallen woordeloos haar zuchten
tumulten van licht
als een lasso van lucht geworpen
schiet een zwaluw scheldend langs;
rukwinden schragen de meeuwen
haar hart beeft als een waterlelie
gedoopt in morgenrood,
orgie van bloemenpracht
diep in haar ziel
tokkelen handen over hem
als over een harp die beeft
ver weg en toch verkleefd