gedicht van Hans van Druten
Sluier


de flikkerende vlammen van haar ogen
als in zilver ingelegde edelstenen
haar rondtollende handen
als vlinders over zijn lijf,

zijn door hartstocht gekwelde leven
het donderend geraas van zijn bloed
werd een harmonieus gemurmel

de droom waaruit hij tevoorschijn trad,
verschrompelde
toen de nacht het dierbare gezicht
met een sluier had bedekt
en de woordenloze dialoog was beëindigd

de vragen, die wel voorwerpen leken,
dreven weg en losten zich op
zoals nevel die in de dalen
tussen bergen hangt,
door de wind en de zon
worden verdreven