Buitelend
de kievit buitelt onder de wolken
waarachter laaiend in de zon
de trotse vreugden
der papavers vlammen
duizelend tegen jou aangeklampt
een zee, ik zee, jij zeet
van avondgeluiden in de oren
mond aan mond alle besef verloren
't avondt, 'k sluimer nu
en ook de wind gaat dromen
in de rozentuin van jou en mij
in de jonge, speelse bomen,
die nu stil en ingetogen
in het plosieve schijnen staan
van wereldorgasme, geklakt de maan
komen er nog wat zwakke geuren
uit de schaduw aan
een klein helder wijsje
van vroeger dingen
van iets schoons dat nooit vergaat
half vrezende je te wonden
zie ik je zijlings aan
als op droom van liefd'
gewiegde vruchten