Blaken
buiken van de hoogste meeuwen, wit verlicht
schilfert het water onder vlucht'ge zon
ze lacht haar schrijnend lachje
wind waait gesplitste blaadjes tot vitrage
fijne teerheid van vrouwlijk medelij
bruidenbloed in rode gloed
ook schijn is levenselement
cocon waaruit we vlinder groeten
lage daken vreedzaam hurken
grillig rond gesmeten
en rood en ros
van 't schuine zomerblaken
gedisselde pijn in bodem gesneden
het omzien op de dagen
te licht om te wegen
tussen klimmen, van lichaam gaan
wat gesproken is = niet meer waar
zonlicht vervloeit in matgouden nevels
weemoed van avond en afscheid
kust zij gedicht tot vederlicht