Het klassieke Kerstverhaal
Lang geleden leefde in de stad Nazareth een meisje genaamd Maria. Maria was met de timmerman Jozef verloofd. Op een dag stuurde God de engel Gabriël. Hij zei: "Wees gegroet Maria. De Heer is met U. U zult een zoon krijgen, die u Jezus zult noemen. Hij zal de erenaam dragen "Zoon van de Allerhoogste God". God zal hem koning maken. Hij zal voor altijd over Israël regeren."
Maria was erg geschokt. Ze vroeg: "Maar hoe is dat nou mogelijk, want ik ben nog niet getrouwd". Gabriël antwoordde: "De heilige geest zal op je neerdalen en de kracht van de Allerhoogste God zal als een schaduw over je heenkomen. Jouw kind zal aan God toebehoren en zijn Zoon worden genoemd". Maria zei: "Goed, ik zal alles doen wat de Heer van me wil. Laat gebeuren wat u hebt gezegd".
Kort daarna merkte Maria dat ze zwanger was. Dat kwam door de Heilige geest.
In diezelfde tijd gaf Keizer Augustus het bevel om een volkstelling te houden. Iedereen die in het Romeinse rijk woonde moest worden ingeschreven. Iedereen moest naar de plaats waar hij oorspronkelijk vandaan kwam, om zich in te laten schrijven.
Jozef stamde van Koning David af. Koning David was in Bethlehem geboren. Jozef verliet Nazareth en liet zich in Bethlehem inschrijven samen met zijn verloofde Maria. In Bethlehem voelde Maria dat ze moest bevallen. Ze gingen alle herbergen langs om de nacht door te brengen. Maar er was helaas geen plaats meer voor hen. Na lang zoeken vonden ze onderdak in een stal. Jezus werd geboren en in doeken gewikkeld. Maria legde hem in een kribbe.
Niet ver van de stal moesten een paar herders op hun schapen passen. Plotseling verscheen een engel die zei: "Wees niet bang. Ik heb goed nieuws voor het hele volk. In Bethlehem is er een kindje geboren. Hij is de redder, Christus de Heer. U zult hem vinden in een kribbe". Uit de hemel kwamen nog meer engelen. Zij zongen: "Alle eer aan God in de hemel, en vrede op aarde voor alle mensen".
Vervolgens gingen de herders naar Bethlehem waar ze het kindje Jezus in doeken gewikkeld aantroffen. In diezelfde tijd kwamen drie wijze mannen uit het oosten. Ze kwamen om het kindje te aanbidden. Een grote ster wees hen de weg. Toen ze Jezus hadden gevonden, knielden ze eerbiedig voor hem neer.
Ze gaven hem goud, wierook en mirre.